Collaboekatie

Excuses voor het lelijke woord. Alhoewel het in de verte wel klinkt als bukkake is het slechts een armzalige samentrekking van boek en collaboratie. En dat komt omdat ik de laatste tijd bij heb mogen dragen aan twee boeken, waar ik allebei, om verschillende redenen, trots op ben.

I want it to be soft
Allereerst is daar het boek ‘I want it to be soft’ dat bij de gelijknamige expositie van Bas KosSchermafbeelding-2016-05-19-om-14.12.22ters hoort (nog t/m 4 september te zien in museum Arnhem). Ik heb Bas’ carrière natuurlijk vanaf het begin gevolgd en over de jaren redelijk wat voor hem geschreven, van poëzie bij zijn werk tot columns voor Extrakak magazine, maar dit is misschien wel de mooiste gelegenheid. De expositie brengt voor het eerst in een overkoepelend verband zijn werk van de afgelopen 13 jaar samen, en als je dat ziet besef je pas echt hoe groot en groots zijn oeuvre inmiddels is.
Bij zijn installatie ‘The good people machine’ schreef ik een kort verhaal dat de ethische moeilijkheden van een machine die mensen goed maakt verkent.

Positief genieten
De andere uitgave is het ‘Handboek voor een optimistisch leven’. Hiermee toont cultuurwebsite de Optimist een staalkaart van de gedichten, verhalen, essays en Optimist_Coverillustraties die het de afgelopen 8 jaar publiceerde. Gevestigde namen als Dennis Gaens en Thomas Heerma van Voss prijken er naast nieuwere talenten als Maarten Buser en Jante Wortel. Ik vind het vooral heel leuk om in het boek te staan omdat ik de redactie oprecht sympathiek vind: ze zijn hartelijk in het contact en als je werk instuurt, krijg je een inhoudelijke reactie. Daar doen de meeste redacties niet meer aan. Wil je een leuke inkijk in vooral de jongere generatie Nederlandse schrijvers, dichters en illustratoren, bestel het boek vooruit. Dat kan de hele maand juni met korting! Het ‘Handboek voor een optimistisch leven’ verschijnt medio augustus.

Dag de dingen

DSC_0021Ik ontspul. Langzaam laat ik al mijn bezit door mijn handen gaan en kies wat ik ermee doe: houden, weggooien, aan de kringloop geven of verkopen. Vaak valt het mee om een keuze te maken, eigenlijk zijn veel dingen die ik in huis heb daar alleen uit een macht van gewoonte. Ik denk dat dat voor veel mensen hetzelfde geldt: de dingen in je huis zijn er vooral omdat je nooit over ze nadenkt.

Nu ik de moeite neem om elk individueel voorwerp met aandacht te bekijken kom ik er achter dat een groot deel van die voorwerpen vooral wat zeggen over wie ik was op een bepaald moment in de tijd. Dat betekent dat de cd met bakvissenrock van Van Dik Hout, die de soundtrack van mijn eerste grote liefdesverdriet was, na een half leven wel eens weg kan. Bij sommige voorwerpen kan ik me met de beste wil in de wereld niet herinneren waarom ik ze ooit aangeschaft heb, zoals een grote stapel dance-cd’s terwijl ik dat doorgaans een klotegenre vind. Een eenvoudige keuze.

Moeilijker wordt het als iets een persoonlijk geschenk is, of door iemand speciaal voor me gemaakt. Ik voel me toch schuldig als ik zoiets weg doe, alsof ik de gever van het geschenk tekort doe. Aan de andere kant, wordt wie dan ook er beter van als ik mijn huis decoreer met dingen omdat ik me ertoe verplicht voel? Ik kan dan misschien beter  die dingen wegdoen en iets leuks gaan doen met de gever, dat lijkt me een handigere manier om mijn verbondenheid met mensen vorm te geven.

Een hele rare categorie is ‘dingen die veel geld gekost hebben’. Het is een hele gekke misvatting dat dingen waarde hebben alleen maar omdat ze veel gekost hebben, maar wel een heel hardnekkige.
Ik doe eindelijk het spijkerjack weg waar ik meer dan tweehonderd euro voor betaalde en dat ik drie keer gedragen heb omdat ik het te klein gekocht heb. Een moment lang heb ik de gedachte dat ik nu dat geld ook kwijt ben dat ik er in gestoken heb, totdat ik zie dat het geld al lang verdwenen was, en het enige dat ik vastgehouden heb de illusie van waarde is.

We houden een lijst bij van wat er uitgaat én wat er weer binnenkomt, mijn vrouw en ik, als een soort sociaal experiment. De lijst heet ‘dag de dingen’ en zal pas klaar zijn als elk voorwerp dat we bezitten door onze handen is gegaan. Waarschijnlijk schrijven we er dan een boek over, met een handige flowchart om het zo snel mogelijk weg te doen.

Of je worst lust

unnamedVorige maand kwam Extrastrak uit, een prachtige samenwerking tussen het literaire Rotterdamse tijdschrift Strak en Extrakak magazine, het mode-/visietijdschrift van Bas Kosters. Het is een halloween special geworden waar ik ook een verhaal voor schreef met mijn nieuwe favoriete personage slager Lantsman: Lantsmans kwaliteitsworst. Als je dat wilt lezen kun je hier een exemplaar bestellen, maar ik schreef voor de presentatie op 31 oktober ook een tweede kort verhaal. Dat lees je gewoon hier:

Of je worst lust
Slager Lantsman herschikt de revers van zijn colbert. Het kamgaren pak is even oud als zijn huwelijk en past niet goed meer. Het jasje trekt pijnlijk bij de schouders en zijn buik hangt boven de broek uit die in zijn vlees snijdt. Toch, als hij dat negeert en kijkt naar zijn weerspiegeling in de ruit van de tram is hij tevreden. Hij wordt wel ouder maar ziet er met zijn zwarte bos haar en lachrimpels jonger uit dan hij is. Vanavond voelt hij zich extra jeugdig, een reisje naar de grote stad voelt toch altijd als een avontuur. En dan ook nog naar het internationale sausage lovers. Meestal krijgt hij alle vakinformatie wel thuisgestuurd, maar op de een of andere manier had hij deze vakbeurs gemist. Hij heeft zijn vrouw niet verteld dat het waarschijnlijk een gala is. Op de flyer staan twee in visnetkousen geklede danseressen die dansen met mannen in hotdogpakken en hoge hoeden. Dat had tien jaar geleden niet gekund, maar ook zijn vak is aan de mode onderhevig. Je bent als slager nergens meer als je toonbank niet van geolied hout is en je rookworsten niet langzaam worden gegaard op eikenhoutsnippers. Het liefst komen ze nog naast je staan terwijl je de hompen vlees uit het karkas snijdt, dan smaakt het vlees nog authentieker.

Lantsman stapt uit bij een uitgaansplein waar Britse toeristen hard tegen elkaar schreeuwen, hard tegen het personeel en hard tegen voorbijgangers. Hij negeert ze en duikt een steeg in. Daar moet het zijn. Gek genoeg is het nog rustig, al is het al elf uur geweest. Geen slagers in groepjes met hun onmiskenbare, vlezige hoofden. Is hij te laat? Lantsman gaat naar binnen, een bijna lege foyer in waar hier en daar mannen en vrouwen in hun ondergoed ontspannen met elkaar staan te praten. Hij zal eerder te vroeg zijn als het showballet nog niet eens naar achter het podium vertrokken is. Bij een jonge vrouw in een leren korset die de kassa doet koopt slager Lantsman een toegangsbewijs. Op een videoscherm laat een opgemaakte vrouw een worst haar keel in glijden tot de mascara uitloopt van haar tranen. Lantsman schudt met zijn hoofd; dat is toch geen manier om worst te eten. Hij krijgt zijn wisselgeld en wordt in de richting van de kleedkamer verwezen. “Maar ik ben al in gala”, zegt hij. Daar moet de vrouw om lachen, maar ze stuurt hem toch door. In de kleedkamer weet hij niet zo goed wat hij moet doen. Hij wacht tot er iemand binnenkomt, een man die zich ontkleedt tot op zijn string en zijn kleren opbergt in een locker. Om niet uit de toon te vallen doet Lantsman hetzelfde. Dan loopt de man de kleedkamer uit zonder andere kleding aan te trekken. Die zal vast ergens anders uitgedeeld worden. Lantsman glipt achter de man aan de kleedkamer uit, net op tijd om hem te zien verdwijnen door een dubbele deur.

Die blijkt toegang te geven tot een zaaltje waar mensen in felgekleurd ondergoed wat bedeesd dansen op een klein dansvloertje. Stelletjes zitten aan tafels en praten met elkaar. Wat zelfbewust loopt Lantsman naar de bar en bestelt een biertje. Hij neemt plaats op een kruk en kijkt om zich heen. Een vrouw in alleen een dienstmeisjesschort gaat rond met een grote schaal leverworst die ze laat steunen op haar hangborsten. Er worden verhulde toespelingen gemaakt waar worst in figureert. Een man schuift naast Lantsman aan de bar aan en vraagt of hij worst lust. Dat vindt Lantsman een beetje een domme vraag op een slagersconferentie, maar het leidt tot een leuk gesprek waarin Lantsman de kwaliteiten van diverse soorten worst tegen elkaar afzet.

Dan gaat de muziek zacht en een bescheiden belletje klinkt van achter de bar. Als bij toverslag trekken alle aanwezigen nu ook hun ondergoed uit. Dat lijkt het startschot om elkaar uitgebreid te betasten. De man naast hem legt een hand op Lantsmans been en vraagt of hij hulp nodig heeft met uitkleden. Lantsmans blik glijdt van de hand naar de half-erectie tussen de benen van de man. Abrupt staat hij op en snelt naar de uitgang.

Vijf minuten later staat hij weer bij de tramhalte en strikt zijn veters. Op het plein zingen Britse toeristen we are the champions. Volgend jaar gaat hij gewoon weer naar de slagersvakbeurs.

 

 

De loopplank uit

Ik doe mee aan NaNoWriMo, het internationale circus van in een maand tijd 50.000 woorden uitbraken op papier. Die 50.000 woorden zouden op moeten tellen tot een roman. Grofweg heb je bij NaNoWriMo, oftewel, National Novel Writing Month, twee soorten schrijvers: de plotters en de organische. De laatste groep begint gewoon ergens en laat het verhaal dan groeien tot het ergens een soort conclusie bereikt. De eerste groep werkt in een maand tijd het verhaal dat ze al in een houtskoolschets klaarhebben uit tot een roman.
Ik ben een plotter. Mijn verhaal staat grotendeels vast terwijl het nog niet geschreven is. Ik heb de grote lijnen, de middelgrote lijnen, en wat details van te voren bedacht en werk die nu uit. Alleen lig ik na vier dagen schrijven al 3.000 woorden achter. Ik wil namelijk te netjes, te veel poetsen aan mijn zinnen. En met een schrijfsnelheid van ongeveer 300 woorden per uur als ik er echt in zit, is het nogal een opgave om aan de 1.667 woorden te komen die je gemiddeld per dag moet schrijven.
Ik denk dus niet dat ik het ga halen. Zeker niet op deze manier. Al die stuurlui in mijn hoofd moeten eerst overboord, de interne criticus, de perfectionist, de twijfelaar. Er steekt een loopplank uit mijn hoofd waarvan ik ze voorzichtig naar de rand duw.